De achterkant van het schaakbord

In 1975 was ik klaar om de arbeidsmarkt te betreden. Ik had mijn rechtenstudie voltooid met Ruslandkunde als keuzevak en nog een postdoctoraal jaar gewijd aan Europese integratie. Ik was lid geweest van de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen en had daarmee wat studiereizen gemaakt. Daarna nog anderhalf jaar Russisch geleerd in militaire dienst en met deze geestelijke bagage werd ik zowaar aangenomen als beleidsmedewerker bij het Bureau Oost-Europa van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik voelde me bij wijze van spreken in staat om het op te nemen tegen Brezjnev en consorten en in die stemming huppelde ik de eerste dag het ministerie binnen.

Ik kwam terecht vierhoog achter op Plein 20 in Den Haag, een onbestemd bijgebouw dat via vele trappetjes en slingergangen verbonden was met het fraaie hoofdgebouw dat ooit dienst had gedaan als logement van de trotse vertegenwoordigers van Amsterdam in de Staten- Generaal. Deze kamer deelde ik als nummer drie met nummer twee van het drie man sterke Bureau dat de bilaterale betrekkingen met de Sovjetunie en satellietlanden behandelde.

Toen ik goed en wel achter mijn bureau had plaatsgenomen en verwachtingsvol keek welke glansrol voor mij beschoren was, zei nummer twee: “Ga jij maar eens twee rollen rood/wit/blauw lint klein formaat bestellen bij meneer X van het magazijn”. Huh….????????????

Wat bleek? Koningin Juliana en Prins Bernhard waren kort voor het begin van mijn wereldschaakcarriere op staatsbezoek in Roemenië geweest en er moesten links en rechts nog wat attenties worden uitgedeeld aan mensen die zich voor dat bezoek verdienstelijk hadden gemaakt. Dat staatsbezoek was een tegenbezoek geweest voor een staatsbezoek van Nicolae en Elena Ceausescu en vormde de apotheose van een warming up in de relaties, nadat Ceausescu als enige leider van een satellietland had geweigerd deel te nemen aan de inval van de Warschaupakttroepen in Tsjechoslowakije om de Praagse lente in de knop te breken. Dat bezoek kon nog net, maar de meer dan gemiddeld dictatoriale trekjes van het echtpaar Ceausescu, die later extreme vormen aannamen, begonnen al duidelijk zichtbaar te worden. Elena, die thuis in Roemenië was opgeklopt tot een intellectueel genie (ik meen dat zij inderdaad kon lezen en schrijven), stond er bij staatsbezoeken steevast op dat haar eredoctoraten van gerenommeerde universiteiten werden verleend, maar gelukkig heeft Leiden het vertikt aan die onzin mee te werken. En toen Prins Bernhard zich enthousiast betoonde over de natuur in de Donaudelta, antwoordde Nicolae botweg dat, als het voor de economische ontwikkeling van Roemenië nodig was, dit alles tegen de vlakte zou gaan. In Nederland bestond hij het om bij een receptie van Philips in Eindhoven te eisen dat een toilet eerst ontsmet werd, voordat hij daarvan gebruik wenste te maken. Een vindingrijke gastheer begreep wat hem te doen stond en spoelde een literfles genever door het toilet.

Ik bedoel maar, er zijn altijd wel redenen om bijzonder verdienstelijke mensen bij zo’n staatsbezoek te bedanken met een attentie verpakt met rood/wit/blauw lint klein formaat.